de grote truc

 

 

 

 

 

Aan de basis van het wierook maken staat een proces dat steeds weer hetzelfde is. Aan wierookpoeder voeg je water toe en dat meng je tot er klonten ontstaan. Met je vingers kneed je het dan tot een klei-achtige massa. Deze klei kun je nu in drie verschillende vormen brengen:

1: Een Tibetaans stokje: Een balletje klei rol je tot een dun staafje. Dit kun je laten drogen in een omgeving met lage luchtstroming, waarna we spreken van een Tibetaans wierookstokje. Dit type stokje wordt geroemd voor zijn zuiverheid maar heeft als nadeel dat het erg breekbaar is.

2: Een stokje met bamboe kern: We kunnen de klei om een dun stokje bamboe heen werken, we krijgen dan het wierookstokje dat het meest algemeen bekend is. Het voordeel van een wierookstokje met bamboe kern is dat het nauwelijks breekbaar is. Nadeel is echter wel dat steeds de geur van brandend bamboe vrijkomt.

3: Allerlei vrije vormen waarvan het kegeltje de meest bekende is. Je maakt het vrij eenvoudig.

 

Vanaf dit punt zijn er veel manieren om de klei om te zetten naar bruikbare wierook. Op de volgende pagina's zullen we ons gaan concentreren op een aantal technieken om wierookklei te verwerken. Echter nu we de grote truc begrijpen is er nog een veel brandender vraag : wat zit er nu eigenlijk in dat poeder? Dan komen we te spreken over bestanddelen en de eisen waar een wierookpoeder aan moet voldoen.

 

 


Home

Next